Johannes Passion

Eerste pagina van de Johannes Passion

Bach schreef de Johannes-Passion in 1724 in drie maanden tijd. Op 7 april van dat jaar, Goede Vrijdag, werd de Johannes-Passion voor het eerst uitgevoerd in de Nicolaïkirche in Leipzig. Een jaar later verving hij het openingskoor door een ingetogen koraalbewerking, waarschijnlijk omdat er kritiek op de (te uitbundige) muziek was gekomen. Bach bleef wijzigingen aan de Johannes-Passion aanbrengen, zodat er tegenwoordig vier verschillende versies bestaan (naast die uit 1724 en 1725 is er ook een versie uit 1728 en 1749). Vlak voor zijn dood begon Bach aan een nieuwe versie, die hij niet heeft kunnen afmaken. De Johannes-Passion wordt vaak vergeleken met de Matthäus-Passion, die Bach enkele jaren later zou schrijven. In vergelijking met de Matthäus-Passion, is de Johannes-Passion muzikaal wat feller, maar tegelijkertijd ingetogener. Zijn voor de Matthäus-Passion twee orkesten en twee koren nodig: bij de Johannes-Passion volstaat een klein orkest en koor.

Bach volgt vrijwel letterlijk de teksten van het evangelie volgens Johannes in Luthers vertaling (hoofdstukken 18 en 19). Het Johannesevangelie is nuchter en verhalender dan het Mattheüsevangelie, en daardoor aanmerkelijk dramatischer. En waar Jezus in het evangelie volgens Mattheüs langdurige lessen en redevoeringen houdt, gaat Johannes daar vrijwel geheel aan voorbij. Jezus is bij Johannes meer een handelende persoon en minder profeet en leraar. Het evangelie is dynamischer dan de andere evangelies en Bach heeft dit meesterlijk tot uiting gebracht in de Johannes-Passion.

Direct aan het begin van het openingskoor spelen de houtblazers in maat 1 de drie tonen es, d en g: dit staat voor Soli (es) Deo (d) Gloria (g): Bach draagt de compositie direct op aan God.

Ook op andere plaatsen in de Johannes-Passion maakt Bach gebruik van muzikale symboliek. Zo is het moment dat Pontius Pilatus zwicht voor de druk om Jezus ter dood te brengen het centrale punt. Vanuit dit koraal, Durch Dein Gefängnis, Gottes Sohn is de opbouw van de Johannes-Passion symmetrisch opgebouwd: hiermee (en door het relatief korte eerste deel en langere tweede deel) geeft Bach een kruisvorm aan.

De gevangenneming van Christus (Caravaggio, ca. 1602)

Het felle karakter van het Johannes evangelie wordt door Bach onder meer vertolkt door het gebruik van zgn. turbae: felle, dramatische koortjes waarin Bach expressie geeft aan de affecten van haatdragend volk, huichelachtige Schriftgeleerden, onverschillige soldaten en plagerige omstanders. Waar schilderende tijdgenoten de joelende menigte vaak afbeeldden met boeventronies en de Romeinse soldaten meer interesse lieten hebben in wulpse vrouwen dan in het historisch drama dat zich voltrok, ‘schilderde’ Bach dit door het structurele gebruik van turbae. Op veertien plekken in de Johannes-Passion past Bach deze techniek toe, waarvan twaalf paarsgewijs vrijwel identiek zijn en naar elkaar verwijzen. Door het weglaten van bepaalde instrumenten in de ‘tweede’ turba van zulke paarsgewijze turbae, of het toepassen van een andere toonsoort, laat Bach verschillen in gemoedstoestand horen. Een voorbeeld hiervan is te horen in de onderdelen 2b en 2d: in beide koorpartijen laat Bach het cohort soldaten en dienaren van de hogepriesters en Farizeeën in opgewonden en strijdlustige toestand Jezus’ vraag naar wie zij op zoek zijn, beantwoorden door hen beide keren te laten zingen: “Jesum von Nazareth”. Hoewel de verschillen tussen de eerste koorpartij (2b) en de tweede (2d) subtiel zijn, staan ze bol van symboliek. Johannes vertelt immers dat wanneer de soldaten c.s. op agressieve en aanmatigende toon roepen dat ze Jezus van Nazareth zoeken en Jezus kalm en zelfbewust aangeeft dat hij dat is, zij achteruit deinzen en enkelen op de grond vallen. Oftewel: enigszins van hun stuk gebracht. Jezus, die weet wat er gaat gebeuren en zijn lot heeft aanvaard, herhaalt zijn vraag: “wie zoeken jullie?”. De soldaten antwoorden weer Jesum von Nazareth, maar aan de lagere toon en het ontbreken van de fluit (die in veel werken van Bach symbool staat voor de zonde) hoort de luisteraar dat zij geïntimideerd zijn door deze krachtige persoon die zij kennelijk geen angst kunnen inboezemen.

De Kruisdraging (Jheronimus Bosch, ca. 1500)

In de centrale scène, Pilatus, heeft Bach een fraaie symmetrische structuur aangebracht met behulp van de plaatsing van koralen en aria’s en – het meest opvallend – door dezelfde muziek te gebruiken voor tekstverwante turbae ter weerszijden van het centrum. Dat centrum vormt het “koraal” Durch dein Gefängnis, Gottes Sohn. Hier ligt de kentering van het verhaal: Pilatus trekt zich terug, de afloop is nu onafwendbaar geworden. Niet Jezus’ dood is het dramatisch hoogtepunt maar het menselijk handelen dat daartoe leidt. Bach interpoleert hier op een bekende koraalmelodie (Machs mit mir, Gott) een tekst die Luthers centrale leerstuk van Jezus’ plaatsvervangend lijden verwoordt.